Hoofdstuk IMa’zur
In de Voortijd kwam Vader Zevran naar de Bergen toe. Hij was niet alleen: met hem reisden zijn drie vrouwen en veertien kinderen en een grote kudde schapen en geiten, koeien en varkens. De bergen waren onbewoond, de meren donkerblauw en kristalhelder en overal was wild en vis in overvloed. Vader Zevran bouwde bij het grootste meer in het gebied een altaar voor de Aenar en dankte hen voor zijn behouden aankomst. En de Aenar keken met welbehagen neer op Zevran en diens huis en zegenden zijn wandel. En Zevran had 6 zoons. En zij namen zich vrouwen uit het laagland en trokken verder de Hoogten van Zevran in. En zij leefden allen in vrede met elkaar… Tot aan zijn dood.
En de namen van de zes zoons van Zevran zijn: Targon, Timoer, Zevor, Shorak, Alevran en Serin. Zij nu zijn de vaderen van de stammen der Zevranieten.
Uit: De Kronieken van Zevran
Een koude deken van mist hing over het Palissadedorp toen Ma’zur bij het aanbreken van de dageraad uit het woonvertrek voor ongetrouwde mannen stapte. Hij stak met grote passen het open terrein over dat lag tussen het mannenhuis en de stallen, waar zijn paard op hem wachtte, klaar voor de grote dag. Hij was blij dat hij zijn gevoerde mantel om zijn leren kuras had geslagen, zodat het schouderbont hem goed warm hield. Het was nog maar het begin van de lente en dat betekende dat het zowel ‘s nachts als overdag nog kon vriezen in de Hoogten van Zevran. Gelukkig was de meeste sneeuw in de lagere gedeelten van het gebergte al wel verdwenen.
Peredur begroette hem met enthousiast gebries en gestamp, alsof hij wilde aangeven dat hij klaar was om eindelijk de stal te verlaten waarin hij de afgelopen maanden te veel en te lang had gestaan. Ma’zur grinnikte en streek liefkozend met zijn handen over de nek en de borst van de gevlekte hengst, die zich vol genegenheid tegen hem aandrukte. Een slappe winterwortel werd binnen een paar seconden vakkundig weggewerkt.
‘Het is tijd om te gaan, jongen,’ zei hij, terwijl hij de hengst opzadelde en de singel aantrok, ‘tijd om te bewijzen wat we waard zijn.’
Even later leidde hij Peredur bij de teugel naar buiten in de richting van de dichte poort die toegang gaf tot de lange houten brug die leidde naar het vasteland. Er stond een delegatie op hem te wachten, die bestond uit zijn vader Odrik, de oude priester Tord’ah en twee leden van de clanraad. Hij begroette de groep met een respectvolle knik van zijn hoofd, meer niet, omdat niet meer vereist was. De mannen beantwoordden zijn groet met serieuze blikken.
‘Ma’zur, je achttiende naamdag nadert. Dat betekent dat je de Naamproeve moet doorstaan,’ begon de priester. ‘Zeven dagen lang zul je zwerven door het gebied van onze clan, op zoek naar de wil van de Aenar voor jouw leven. De regels zijn eenvoudig: je eet van wat de natuur je biedt, iedere nacht vind je zelf onderdak, maar je mag geen tent meenemen, je eet niets wat door anderen is bereid en maakt je eigen vuur en je mag geen wapens meenemen, maar ze wel maken of van een vijand afnemen. Begrijp je de regels?’
Ma’zur knikte, opnieuw zonder iets te zeggen. Hij kende de instructies en wist wat er van hem werd verwacht.
‘De Aenar zullen je beproeven, mijn zoon,’ nam zijn vader over. ‘Je zult een opdracht krijgen die je moet uitvoeren. Als je dat lukt, zul je op je naamdag worden bevestigd als een krijger van de Alevran en als de Stamdrager, mijn opvolger. Slaag je er niet in…’
De stilte die volgde was genoeg: als hij niet zou slagen voor de Naamproeve, zou hij worden weggestuurd uit het Palissadedorp omdat hij onwaardig was. De clan had dan geen opvolger voor hun stamhoofd. Hijzelf zou dan geen wapens meer mogen dragen en moeten zien te overleven door voor anderen te werken. Zijn toekomst stond op het spel.
‘Denk niet dat de Naamproeve kinderspel is,’ zei Gharis, een van de oudste en meest in aanzien staande leden van de clanraad. ‘Mijn eigen zoon is nooit teruggekomen.’
Hij was zijn zoon al zeker dertig jaar geleden verloren, maar zijn stem klonk gebroken, alsof de wond nog steeds niet was geheeld.
‘De Aenar zijn goed en willen het beste voor ons. Maar soms is een beproeving te veel, te zwaar,’ zei Odrik, terwijl hij een meelevende hand op Gharis’ schouder legde.
Tord’ah drukte Ma’zur een klein flesje in zijn hand waarin een bruingroene vloeistof zat. Hij wist wat het was, voordat de priester het hem vertelde. ‘Drink dit als je vanavond je eerste kamp opslaat. Het zorgt ervoor dat je openstaat voor wat de Aenar je willen vertellen.’
Met een vinger die hij in een wit mengsel doopte, bracht Tord’ah vier strepen aan over het gezicht van Ma’zur, van boven naar beneden. ‘Je bent nu gemerkt voor de Naamproeve, zodat iedereen weet dat ze je moeten mijden.’
Odrik zelf opende de poort voor hem. De mist begon lichter te worden en Ma’zur kon het eerste deel van de brug nu vaag onderscheiden. ‘Dat de Aenar je beschermen, mijn zoon.’
De andere mannen herhaalden Tord’ahs woorden. Hij besteeg Peredur en gaf hem de sporen, zonder ook maar om te kijken.
Die avond vond hij onderdak onder een groepje verdwaalde naaldbomen, waarvan de kruinen gezamenlijk als een natuurlijke tent beschutting boden tegen de fijne regen die al sinds de middag alles om hem heen nat maakte. Het leek erop dat de lente nu echt zou doorbreken, want een lichte bries trok door de bergen en verdreef de laatste kou die de winter had achtergelaten. Ma’zur had met wat moeite een klein vuur aangelegd, waaruit veel rook opsteeg omdat het hout vochtig was. Maar de bomen boden voldoende bescherming en zijn dikke mantel zorgde ervoor dat hij niet verkleumde. Hij had honger, want hij had niets eetbaars kunnen vinden. Maar hij was in ieder geval warm en dat was al heel wat. Peredur had wat van het stugge, voedzame gras gegeten dat spaarzaam op de bergweiden groeide en stond rustig onder de bomen te slapen.
Hij had zeven dagen de tijd om erachter te komen wat de Aenar van hem wilden en de opdracht uit te voeren die ze hem zouden geven. Hij opende het flesje dat de priester hem had gegeven en sloeg het in één keer achterover, waarbij hij de bittere smaak negeerde. Wat zou er nu gebeuren? Hij had verhalen gehoord van krijgers die visioenen hadden gekregen waarin duidelijk werd wat ze moesten doen. Zijn eigen vader, Odrik, had gedroomd dat hij was voorbestemd om stamhoofd van de Alevran te worden, ondanks dat zíjn vader dat niet was. En als bewijs dat de Aenar dit hadden voorbestemd, was hij naar een berg geleid, naar een kleine grot, die hij alleen nooit zou hebben gevonden. Daar vond hij het zwaard Mistralis, dat volgens de legenden ooit had toebehoord aan Thauramok, de Aenor van de strijd. De naam van het wapen betekende Windzang, omdat het zo snel als de wind kon toeslaan. En dat hadden Odriks vijanden geweten. Dat magistrale wapen zou van hem zijn als hij Odrik opvolgde… als… Waarom werkt dat drankje niet? Ik zit hier maar in de vlammen te staren, maar er gebeurt helemaal niets. Zijn de Aenar niet in mij geïnteresseerd? Mag ik mijn vader niet opvolgen? Duurt het bij iedereen zo lang? En wat als de Aenar niet tot mij spreken? Zijn gedachten buitelden over elkaar en zijn maag voelde alsof het een zware steen probeerde te verteren.
Peredur stampte met een hoef op de grond als een teken dat er iemand naderde. Ma’zur stond half op en keek om zich heen of hij iets als wapen kon gebruiken. Een onverwachte geur van verse bloemen vulde zijn schuilplaats toen een vrouwenstem riep: ‘Hallo reiziger, mag ik me warmen bij uw vuur en schuilen voor de regen?’
Wat doet een vrouw alleen ‘s nachts buiten de veiligheid van een van de dorpen? ‘Mijn vuur is uw vuur,’ antwoordde hij. Ik mag me volgens de regels van de Naamproeve niet bij het vuur van een ander voegen, maar dit is mijn vuur, dus ik breek geen regel.
De vrouw die onder de beschutting van de dennenbomen kwam, droeg een lichtbruine mantel en een kap die haar gezicht deels verhulde. Ze zag de witte strepen op zijn gezicht, maar negeerde ze alsof ze er niet toe deden. Ze ging zitten, schoof de kap naar achteren en stak haar handen uit naar het vuur om de kou te verdrijven. Ma’zur zag dat ze een licht getinte huid had, iets wat niet vaak voorkwam onder de Hooglanders. Ze was al wat ouder, dacht hij, hoewel hij haar leeftijd moeilijk kon inschatten. Haar donkere haren vertoonden geen enkel spoor grijs of wit.
‘Ik ben Ismora,’ zei ze, terwijl ze haar handen tegen elkaar aan wreef. ‘Dank je dat ik jouw vuur mag delen.’ Ze schoof een dood konijn naar voren dat ze aan haar mantel had bevestigd. ‘Misschien mag ik in ruil voor je gastvrijheid dit delen?’
‘Ik heet Ma’zur.’ Hij wees op de tekens op zijn gezicht en schudde zijn hoofd: ‘Ik mag uitsluitend eten wat ik zelf gevangen heb.’ Ismora knikte dat ze het begreep. ‘Het Naamritueel?’
‘Het is mijn eerste nacht buiten.’
‘Hebben de Aenar je al laten weten wat ze van je verwachten en hoe je toekomst eruit ziet?’
Ma’zur keek haar bevreemd aan. Hoe wist een vrouw wat er tijdens de Naamproeve gebeurde? Die kennis was strikt voorbehouden aan de mannen. Tenzij ze een Wijze is. ‘Ik ben nog niet Aangeraakt,’ antwoordde hij mismoedig.
‘Wat zoek je, Ma’zur van de Alevran?’
Het vuur leek hoger op te vlammen, alsof het werd gevoed door haar vraag.
‘Wat drijft je?’
Vorsende, bruine ogen keken hem aan en leken zich als de zuignappen van een bloedzuiger aan zijn ziel te hechten.
‘Wat leeft er werkelijk in je hart?’
Buiten de bescherming van de bomen klonk plotsklaps het gerommel van de donder. Hij schrok van het geluid dat hij niet had verwacht. Onweer, wat vreemd voor deze tijd van het jaar. Hij registreerde de gedachte, maar besteedde er verder geen aandacht aan, afgeleid als hij was door het gretige vuur dat echt groter leek te worden, alsof het leefde.
‘Is het roem?’
Vlakbij sloeg een donderslag in en hij voelde de grond trillen. De vraag resoneerde in zijn hoofd, alsof ze zelfstandig een antwoord probeerde te ontdekken. Hij voelde hoe zijn ademhaling versnelde, alsof hij rende voor z’n leven.
‘Is het rijkdom?’ Ismora’s stem klonk intenser, dieper, onweerstaanbaar.
Bliksem sloeg in de kruin van een van de bomen waaronder ze schuilden en splitste de stam in tweeën. Hij zag het gebeuren, maar het raakte hem niet. Wat vond hij eigenlijk van rijkdom? Was dat wat hij zocht, wat hem dreef? De bruine ogen werden groter en intenser en hielden zijn blik gevangen, terwijl hij voelde hoe ze zijn essentie opzogen. Hij probeerde op te staan, maar de kracht achter die ogen drukte hem tegen de grond en zijn ademhaling stokte.
‘Is het macht?’
De lichte bries die eerder wat verlichting van de kou had gebracht, veranderde van het ene op het andere moment in een angstaanjagende stormwind die als een windhoos rondom hemzelf en Ismora heen draaide. Ondanks het gevoel dat hij geen adem meer kon halen, stelde hij zichzelf de vraag: is dat wat ik ten diepste wil, macht om anderen naar mijn wil te kunnen buigen? De drie vragen wervelden met de kracht van de storm door zijn hoofd, op zoek naar antwoorden. Wat zoek je? Wat verlang je? Wat drijft je? Macht, rijkdom, roem? Macht, rijkdom, roem? Zijn hoofd leek te exploderen en het enige wat hij nog kon zien, waren Ismora’s pulserende ogen die zijn ziel onderzochten op waarheid. Pijn flitste door zijn hoofd als bliksemschichten aan de nachtelijke hemel. De druk was te groot om vol te houden. Hij bedekte zijn hoofd met zijn handen in een verwaarloosbare poging zichzelf te beschermen.
En toen was het voorbij, alsof er niets was gebeurd: geen pijn, geen onweer, geen wervelstorm. Hij keek naar de vrouw die tegenover hem zat en haar handen aan het vuur warmde; het was alsof ze niets had gemerkt van wat zich had afgespeeld. Hij had het toch niet gedroomd? Hij zag dat Peredur rustig stond te slapen en van de blikseminslag in de boom was geen spoor te zien. Is dit niet echt gebeurd? Kwam het allemaal door het drankje van Tord’ah?
Ismora keek hem vragend aan: ‘Wat is het dat je zoekt, Ma’zur, zoon van Odrik?’
Haar vraag bevatte een urgentie die hij niet helemaal begreep. Wie is deze vrouw? En hoe weet ze wie mijn vader is? Ik heb haar dat niet verteld! ‘Niets voor mezelf,’ sprak hij vol overtuiging, terwijl hij zich afvroeg waarom zij die vraag had gesteld, maar nog meer waarom hij haar antwoordde. ‘Ik wil mijn volk dienen en de wil van de Aenar volgen.’ Tijdens de korte stilte die op zijn antwoord volgde, voelde hij alsof zijn ziel werd gewogen en berecht.
‘Het gebeurt niet vaak dat iemand zo jong zo’n wijs antwoord geeft,’ zei Ismora. ‘Ik ben hier om je de wil van de Aenar bekend te maken.’
De opluchting die hem bevloog, verraste hem. Het drankje heeft gewerkt; de Aenar hebben geluisterd. ‘Wie bent u? Bent u een Wijze?’ Het was het enige wat hij kon bedenken.
‘Ik bén Wijsheid,’ klonk het resolute antwoord. ‘Ik ben Ismora. Aanschouw wat is besloten.’
De vrouw stond rechtop en torende hoog boven het vuur uit. Haar stem werd dieper, dwingender en indringender. Haar ogen werden groter en leken die van Ma’zur op te zuigen, zodat hij alleen nog maar de visioenen zag die zich daar voltrokken. Hij zag in een eeuwigdurende oogwenk zijn leven aan zich voorbijtrekken: een huwelijk, strijd, een zoon, roem, een stamhoofd, vrede, verraad, verdriet, eindeloos lijden, wraak, hoop, herstel en de liefdevolle omarming van de dood. Het visioen putte hem uit zoals hij nog nooit was uitgeput. Hij stond te trillen op zijn benen en rook de geur van mateloze angst voor de toekomst en de dood. Het kostte hem al zijn wilskracht om zijn ogen weg te trekken. ‘Dat kan ik niet dragen!’ Hij schreeuwde het uit. ‘Dit is onmenselijk. De Aenar kunnen dit niet van mij verlangen. Niemand verdient zo’n leven.’ Tranen biggelden over zijn wangen en zijn lichaam schokte onvrijwillig onder de indrukken die hij had opgedaan en die zich nu door iedere vezel van zijn lichaam verspreidden.
‘Wij zijn niet wreed, Ma’zur,’ sprak Ismora met intens medeleven om wat hij had gezien. ‘Je zult van dit visioen alleen onthouden wat voor nu belangrijk is. Je zult trouwen en een zoon krijgen. Je zult Odrik opvolgen als stamhoofd van de Alevran als de tijd daar is. Je zult de drang voelen om voor vrede tussen de clans te zorgen, om je volk te dienen. Dat is je levensdoel en daardoor zul je onvergetelijke roem verwerven, jij en je zoon. Weet dat wij, zelfs in de onmenselijke omstandigheden waarin je zult verkeren, bij je zijn.’
Ze zweeg even, alsof ze wilde dat haar laatste woorden diep zouden bezinken. Ma’zur besefte op dat ogenblik dat Ismora een Aenora was, een van de twee vrouwelijke Aenar. Alhoewel hij nog nooit van een Aenora met deze naam had gehoord, wist hij instinctief dat hij gelijk had. Hij boog zijn hoofd in aanvaarding van zijn lot. Toen hij haar had gezegd dat hij de Aenar wilde dienen, had hij de waarheid gesproken.
‘Ik zal je markeren, zodat de priester weet dat ik tot je heb gesproken en je onze goedkeuring hebt.’
En met die woorden raakte ze hem aan op zijn voorhoofd. Warmte stroomde door hem heen en alle gevoelens van onmacht, angst en verdriet spoelden weg door haar aanraking.
Ma’zur opende zijn ogen en keek om zich heen. Waar was Ismora gebleven? Hij herinnerde zich alles wat ze hem had onthuld: hij zou trouwen met de vrouw van wie hij hield, Zimara. Hij had haar herkend in het visioen. Ze zouden een zoon krijgen en hij zou zijn vader opvolgen als stamhoofd en zorgen voor vrede tussen de clans. En, o ja, roem zou hem ten deel vallen. Hij zuchtte van opluchting dat de Aenar tot hem hadden gesproken. Na zijn terugkeer naar de nederzetting zou de rest van zijn leven eindelijk beginnen. Wat hadden ze toch een mooie toekomst voor hem in petto. Hij schudde het gevoel van ongrijpbaar ongemak van zich af toen hij aan de woorden van de Aenora dacht. Even meende hij zich nog iets anders te herinneren en een kort gevoel van angst kwam naar boven, maar de gedachte vervloog voordat hij hem kon vasthouden.
Hoofdstuk IIDe Naamproeve
De volgende dag stond Ma’zur vroeg op en zadelde hij Peredur. De gebeurtenissen van de vorige nacht waren in zijn geheugen gegrift, scherp als de runen op het altaar van de Aenar. In geen enkel verhaal over de Naamproeve had hij ooit gehoord van een ontmoeting met een Aenora. Hij voelde zich bevoorrecht en vol energie, alsof hij de hele wereld aankon, ook al had hij niets gegeten. Een waterig zonnetje deed haar best om de vroege lente er goed uit te laten zien, maar de armetierige scheuten gras waren er getuige van dat de natuur nog niet zo ver was. Na de regen van de nacht rook de aarde naar vernieuwing en de belofte van vruchtbaarheid.
Het was nog maar zijn tweede dag buiten. Hij kon nog niet naar huis terugkeren, want hij had nog geen opdracht gekregen om uit te voeren. Hij vroeg zich af wanneer hij die zou krijgen. Had Ismora hem die niet moeten geven? Iets zei hem dat hij verder naar het noorden moest reizen, naar het grondgebied van de Serin. Dat was toevallig ook de stam waar Zimara toe behoorde. De Alevran en Serin stonden op goede voet met elkaar door de vriendschap tussen Odrik en Ibbo, Zimara’s vader.
Hij had haar twee jaar geleden voor het eerst ontmoet op het lentefeest dat beide stammen samen vierden. Ze hadden een tijdje om elkaar heen gedraaid, maar ze was zo mooi en lieftallig dat geen andere vrouw zijn aandacht had weten te trekken. Het jaar erop waren ze er allebei achter gekomen dat hun gevoelens voor elkaar onveranderd waren en brachten ze het lentefeest grotendeels samen door. Er ging geen dag voorbij dat hij niet aan haar dacht.
Hij moest stoppen met dagdromen, besloot hij. Hij wist niet wat hem wachtte in het noorden, maar wel dat hij op alles moest zijn voorbereid. Terwijl hij het pad volgde dat door de bergen slingerde, besloot hij dat hij een wapen moest hebben om zich te beschermen. Hij stak dan wel een kop uit boven de meeste andere Hooglanders en was sterker dan de meesten; zonder wapen was het moeilijk je te verdedigen. Hij vond een gebroken wagenas langs de kant van de weg, waarschijnlijk achtergelaten door een reiziger die er geen nut meer in zag. Ondanks de harde winter was het hout nog in goede staat. Het was in twee stukken gebroken, waardoor het langste deel als een knuppel dienst kon doen. Hij zwaaide de as een paar keer heen en weer om er gevoel voor te krijgen en besloot dat hij ermee uit de voeten kon. De regels van het Naamritueel verboden hem wapens mee te nemen, maar niet om zelf wapens te maken tijdens zijn beproeving.
Twee volle dagen reed hij met haast naar het noorden, alsof hij werd gedreven door het noodlot. Zodra het donker werd, rolde hij zich uitgeput en hongerig in zijn mantel om te slapen en bij het eerste licht reden ze weer door, almaar voortgedreven door het gevoel dat hij zich moest haasten. Onderweg dronk hij kristalhelder water uit meertjes of beken en liet hij Peredur zoveel mogelijk grazen van het magere gras, als de tijd het toeliet. Hij had twee reistassen vol met haver bij zich, zodat zijn rijdier goed gevoed bleef, ook al had hij zelf niets te eten. Hij gunde zichzelf niet de tijd om naar voedsel te zoeken, want hij werd voortgedreven door een voorgevoel dat hij ergens op tijd moest zijn. Hij meed de kleine boerenhoeven die her en der over de bergweiden lagen verspreid.
Op de ochtend van de vierde dag kwam hij langs een kleine boerderij die wat verder van de weg af lag. Hij was van plan door te rijden, zoals hij dat al bij zoveel hoeves had gedaan, toen hij gegil hoorde dat door merg en been ging. Zonder ook maar te aarzelen, gaf hij Peredur de sporen en galoppeerde in de richting van de wanhoop. Op alles voorbereid hield hij zijn knuppel gereed.
Hij draaide om de hoeve heen en zag hoe vier mannen bezig waren een jong gezin te vermoorden. In een oogopslag zag hij dat de vrouw al levenloos, en met het hoofd in een vreemde knik, op de grond lag. Een kleine jongen lag schreeuwend half op haar en probeerde haar overeind te trekken, alsof hij dacht dat hij haar wakker kon schudden. De vader was omringd door bandieten, maar was al gewond aan een schouder. Hij probeerde ze tevergeefs met een hooivork op afstand te houden. Woede borrelde in Ma’zur op als kokend water in een pan. Honger en dorst was hij vergeten en zijn volledige aandacht was gericht op het uitdelen van gerechtigheid. Hij was rechter en beul tegelijk en zijn oordeel was snel en dodelijk.
In luttele seconden was Peredur bij de aanvallers en met een schreeuw liet Ma’zur zich op een van hen vallen. De moordenaars waren zo geconcentreerd bezig dat ze hem niet hadden horen aankomen. Hij rolde in een vloeiende beweging van zijn tegenstander af en voordat deze kon opstaan, sloeg hij met zijn knuppel de schedel in van een tweede bandiet. Op hetzelfde moment reeg een andere aanvaller de boer aan zijn zwaard. Ma’zur aarzelde niet en haalde met zijn knuppel uit naar de man waar hij zojuist bovenop was gesprongen en die nu was teruggekeerd naar het strijdtoneel. De as raakte hem vol in het gezicht en Ma’zur hoorde zijn nek breken. De twee overgebleven bandieten hadden zich hersteld van de schrik die zijn plotselinge komst had veroorzaakt en vielen hem nu gezamenlijk aan. Hij merkte dat het niet de eerste keer was dat ze samen vochten. Hij gooide de houten as met al zijn kracht als een speer naar een van de mannen en raakte hem vol op de borst. De man viel achterover, terwijl Ma’zur snel een zwaard van de grond oppakte dat aan een van de bandieten had toebehoord. Nu wordt het menens. Hij had zojuist voor het eerst iemand gedood, maar hij had geen tijd om daarbij stil te staan. Z’n hart ging als een wilde tekeer door de onverwachte inspanning, maar zijn lichaam leek kracht over te hebben. Met een schreeuw van woede wierp hij zich op de beide mannen, waarvan de ene probeerde op te krabbelen en de andere hem verdedigde. Maar tegen de machtige slagen van Ma’zur was hij niet opgewassen en hij vond zijn einde aan het uiteinde van het zwaard van zijn al gedode makker.
Uit de hoeve kwamen nog twee mannen aanrennen die op het geluid van het gevecht afkwamen. Ze hadden Ma’zurs oerschreeuw gehoord. Terwijl Ma’zur zich richtte op de nieuwe aanvallers, sprong de overgebleven bandiet op zijn paard en ging er zo snel hij kon vandoor, z’n kameraden in de steek latend.
Ma’zur richtte zich op de twee nieuwkomers. Zijn longen hadden zich inmiddels aangepast aan de volle teugen lucht die hij inademde. De twee rovers waren bewapend met zwaarden en konden er duidelijk mee overweg. Een van hen had een litteken over zijn linkeroog dat z’n zicht waarschijnlijk beperkte. De ander was net zo groot als Ma’zur, maar minder gespierd. Ze probeerden hem nu van twee kanten tegelijk aan te vallen, maar Ma’zur gaf hen geen kans en besloot als eerste met de grote man af te rekenen. Hij twijfelde niet; hij was niet bang, alleen vastberaden. Hij gebruikte een hoge aanval die werd geblokkeerd door de bandiet, gevolgd door een brede snee over Ma’zurs linkerarm. Bloed stroomde over zijn arm, maar de wond was niet gevaarlijk. De man grijnsde alsof hij wilde zeggen dat hij hem doorhad. Opnieuw begon Ma’zur een hoge aanval en de bandiet blokkeerde zijn zwaard opnieuw. Maar nu hield Ma’zur met zijn linkerarm de zwaardarm van zijn tegenstander vast. Ze stonden dicht tegen elkaar en probeerden elkaar weg te drukken, maar Ma’zur had een verrassing in petto: met een forse zwaai van zijn rechterbeen veegde hij de benen onder de rover vandaan, waardoor deze zijn evenwicht verloor en viel. Ma’zur maakte er handig gebruik van en plantte zijn zwaard diep in de buik van de man.
De laatste bandiet liet z’n wapen vallen en rende naar zijn paard dat bij de hoeve stond. Hij sprong erop, terwijl Ma’zur achter hem aan rende, en ging er met hoge snelheid vandoor. Ma’zur sprong op Peredur en zette de achtervolging in; hij kon de bandiet niet laten ontsnappen. Dit was de opdracht die de Aenar hem hadden gegeven en hij zou gehoorzamen. De man reed alsof de duivel hem achterna zat en spoorde zijn paard met wilde bewegingen aan, maar Peredur was gebouwd voor snelheid en voelde aan hoe belangrijk het was dat ze man en ruiter voor hem zouden inhalen. Ma’zur lag voorovergebogen op de nek van de hengst en liet hem de vrije teugel. Hij was de dood zelf en had maar één doel voor ogen: wraak voor de onschuldigen die zojuist waren vermoord.
Ze kwamen steeds dichterbij en de wanhoop was te lezen op het gezicht van de bandiet, die maar over z’n schouder bleef kijken. Ma’zur was nu vlakbij en stond op het punt zijn zwaard in de rover te drijven. Het met kleine steentjes bezaaide pad was bochtig en liep steil naar beneden, maar de vluchteling nam geen vaart terug. Zijn paard raasde de helling af en kon door de snelheid een scherpe bocht niet nemen, waardoor paard en ruiter uitgleden en in het ravijn stortten. Ma’zur stopte bij de afgrond. Even dacht hij het gehinnik van het edele dier te horen, maar al gauw was een doodse stilte het enige wat hoorbaar was. Zowel Peredur als Ma’zur stonden na te hijgen, maar na een paar seconden wendde hij de teugels om terug te keren naar de levenloze hoeve.
De kleine jongen zat verdwaasd naast het lichaam van zijn moeder. Hij was gestopt met huilen en keek Ma’zur aan zonder enige emotie op z’n betraande gezicht. Hij was misschien een jaar of acht en het besef was inmiddels ingedaald dat z’n vader en moeder niet wakker zouden worden.
Ma’zur steeg af en liep voorzichtig op de jongen af. Hij wist dat hij onder het bloed zat, zowel van zijn tegenstanders als van zichzelf. Hij wilde hem niet banger maken dan hij al was. ‘Hoe heet je?’ Hij knielde voor de jongen neer en keek hem zo vriendelijk mogelijk aan.
‘Aluberht,’ klonk het fluisterend.
‘Kende je deze mannen? Had je ze al eerder gezien?’
De jongen schudde het hoofd.
‘Heb je familie in de buurt?’
Opnieuw een woordeloze ontkenning. Ma’zur herinnerde zich dat zijn vader had gezegd dat de Naamproeve soms te zwaar was om te dragen. Nu pas begreep hij hoe waar die woorden waren en hoe zijn overwinning alleen maar mogelijk was geweest omdat anderen hadden geleden. Pas nu begreep hij de pijn die Gharis al dertig jaar met zich meedroeg. Onbewust vulden zijn ogen zich met tranen om het leed van de clanoudste. Hij besefte nu ook het ware doel van de Naamproeve: dat was niet om als krijger te worden erkend, maar om als man terug te keren. De beproefde man weet dat verlies en overwinning, pijn en blijdschap, altijd hand in hand gaan. Dat was de les die hij van de Aenar had geleerd; hij en vele anderen voor hem.
‘Wil je met mij mee, Aluberht?’
De jongen knikte alleen, terwijl z’n ogen afscheid namen van de lichamen op de grond en de lege hoeve waar hij zijn hele jonge leven had gewoond.